EndoscopieŽn bij barrett ter discussie

Het absolute risico op een oesofaguscarcinoom is dusdanig laag dat het maar de vraag is of regelmatige endoscopieŽn bij patiŽnten met een barrettoesofagus veel opleveren, aldus Frederik Hvid-Jensen e.a. in The New England Journal of Medicine.
Hvid-Jensen e.a. voerden een cohortonderzoek uit onder alle Deense patiŽnten die tussen 1992 en 2009 de diagnose barrettoesofagus kregen. Met behulp van twee nationale registers identificeerden zij 11.028 patiŽnten, die zij gemiddeld 5,2 jaar volgden. In deze periode kregen 197 barrettpatiŽnten de diagnose adenocarcinoom, van wie 131 binnen een jaar nadat bij hen barrett was vastgesteld. Voor hun uitkomsten rekenden de auteurs deze laatste groep niet mee, omdat deze carcinomen waarschijnlijk al ten tijde van de diagnose barrett bestonden. In de totale Deense populatie kregen 2602 mensen de diagnose adenocarcinoom. Dat betekent dat meer dan 90 procent van de patiŽnten met een adenocarcinoom niet bekend was met barrett.

Het relatieve risico op een adenocarcinoom was fors verhoogd bij patiŽnten met een barrettoesofagus, te weten 11,3, maar omdat het jaarlijkse risico op oesofaguscarcinoom zeer laag is (0,12%), is het absolute risico klein. Dat ligt anders wanneer ten tijde van de diagnose ook een laaggradige dysplasie aanwezig is; dan vervijfvoudigt het risico op een carcinoom.

In de meeste studies ligt het risico op adenocarcinoom bij patiŽnten met barrett hoger. De auteurs wijten dat aan kleine studiepopulaties, hoge studie-uitval en te strenge exclusiecriteria, met bias als gevolg. Verder merken zij op dat tot op heden niet is aangetoond dat regelmatige endoscopische controle van patiŽnten met een barrettoesofagus effect heeft op de mortaliteit.

N Engl J Med 2011; 365: 1375-83
18 okt 2011 10u38
zie ook rubriek